Skip to main content

Ja, mensen, het is me wat... Een boekbespreking

| Jan Maurits Schouten | Woord
Ja, mensen, het is me wat... Een boekbespreking
Foto: Keke Keukelaar

De in Nijmegen woonachtige Budelaar Stefan van Dierendonck lanceerde vlak voor de Boekenweek in de winkel van Dekker v.d. Vegt zijn autobiografische roman En het sneeuwde in Rome. Slim, want het verhaal over de priester die in de 'Eeuwige stad' valt voor een Italiaanse en afscheid lijkt te nemen van zijn geloof en priesterschap, heeft natuurlijk alles met het thema ‘verboden vruchten’ te maken. Maar is het ook een goed boek? Mwoah...

Ja, het is inderdaad zo vaag als ik het opschrijf: is Van Dierendonck aan het eind van het boek nu priester-af? Het lijkt er wel op. In het boek is nu en dan sprake van ‘mijn vrouw’ en ‘mijn kind’ dus het zal wel, al kent de Rooms-Katholieke zedenleer soms vreemde wendingen (we kennen immers ook ‘gehuwde priesters’). Toch is het onbevredigend om niet over een moment te mogen lezen waarop de hoofdpersoon daadwerkelijk definitief zijn befje aan de wilgen hangt. Zoals het ook nogal onbevredigend is om er niet achter te komen of die ‘mijn vrouw’ uit het latere leven van de hoofdpersoon dezelfde is als de Arianna met wie hij zich in de verhandelingen in dit boek in Rome tot celibaatoverschrijdende gedragingen overgeeft.

Het echte verhaal?

Het breekt Van Dierendonck, denk ik, in dit boek een beetje op dat hij hetzelfde onderwerp - een priester vertrekt naar Rome voor studie, maar kapt daar met zijn geloof - in een eerder boek al beschreven heeft. In dat boek, En het regende brood, stapt - zo vernemen we in het onderhavige schrijven - de hoofdpersoon om een nóg lulliger reden uit zijn ambt dan door te vallen voor een Italiaanse met lang, geblondeerd haar. Namelijk om zijn glutenallergie: ouwels bevatten gluten, priesters moeten ouwels als hostie tot zich nemen (getranssubstantieerde lichamen van Christus, immers), en de kerk wil geen rekening met zijn allergie houden. Echt. Dat heeft hij daar zo opgeschreven.

In En het sneeuwde in Rome vertelt Van Dierendonck ons het échte verhaal, of het verhaal dat er ook toe doet, of een ander verhaal... duidelijk wordt het allemaal niet.

Dat lijkt symptomatisch voor de hoofdpersoon, die ook maar zo'n beetje het priesterschap ingerommeld schijnt te zijn:

‘...we waren hetzelfde. En daar ging ik weer in een lange serie gedachten over de invloed van een gezin op je levensweg, de impact van een gelovige moeder of vader (...). Een deprimerende gedachte. Voor wie een stap naar achteren durfde te zetten loste het mysterie van zijn priesterlijke roeping op in het heldere licht van het sociaal determinisme.’

Bleek weekdier

Ze zijn er dus nog. Jongelingen die opgroeien in een religieus milieu en zich zonder veel bijgedachten overleveren aan de Moederkerk. Overigens zie je in dit citaat, behalve het weekdierige van het karakter van de hoofdpersoon, ook nog iets anders, namelijk dat Van Dierendonck een zeer slordige schrijver is. ‘Ik ging weer in een serie gedachten’ is erg onzorgvuldig geformuleerd. Diende zich een gedachtestroom aan? Werden de gedachten in een stroom opgeroepen? Werd de hoofdpersoon er door overvallen? En waarom is die stroom van gedachten twee zinnen later opeens ‘een deprimerende gedachte’? En hoe kan een mysterie oplossen in licht? Mystieke ervaring wordt zelf vaak met lichtmetaforen omschreven. Wil Van Dierendonck hier zeggen dat het licht van het geloof door dat van de wetenschap overstraald wordt? Ik denk niet dat hij dat wil zeggen. Ik vrees namelijk dat Van Dierendonck zo ver niet kan of wil doordenken.

We zien in dit boek dan ook geen worsteling met het geloof. We zien een soort lange apologie voor een jongeman die er allemaal ook niet zoveel aan kan doen. Als we het boek heel positief beoordelen, kun je zeggen dat hij bedwelmd wordt door de geneugten van de eeuwenoude zuidelijke, zinnenstrelende stad, de geuren, de kleuren en de verlokkingen. Maar dat is al interpretatie. Wat we zien is een priester die netjes aan een espressootje nipt en nu en dan een wijntje drinkt. Tv kijken en wereldse muziek luisteren zijn lange tijd zijn grootste zonden, zelfbevrediging blijkt af en toe wel een dingetje te zijn, maar ook weer niet iets om mee te zitten... Tot hij dan die krachtige vrouw ontmoet. Een uitgebalanceerde, sterke, intelligente, atheïstische vrouw -een soort ‘Blonde Bestie’ - die, gek genoeg, verkikkerd raakt op deze bleke prelaat.

Ook dit overkomt de hoofdpersoon en verbaast hem niet. Geen zelfreflectie, geen achterdocht of twijfel, als een ware zen-master neemt de hoofdpersoon alles wat hem toevalt voor lief. En zo sukkelt hij de grens over van wat, zelfs voor hem, niet meer verenigbaar is met het priesterschap.

En dat laat de lezer achter met... ja, met wat eigenlijk? We hebben gelezen dat er onder priesters veel broeierig gefrummel gaande is, maar dat wisten we wel. En verder vraag we ons dus –nogmaals - af of de hoofdpersoon later met die woeste Arianna getrouwd is. We hebben het vermoeden van niet, want die verhouding tussen die karakters is zo scheef, dat moet wel fout lopen. Als ik iets nog wel zou willen weten is of Van Dierendonck nu van zijn geloof gevallen is. Ik vermoed van niet. Hij lijkt me er het karakter niet voor te hebben.

Leeg impressionisme

Als proeve voor de schrijfstijl citeer ik tot slot graag nóg een keer. Juist deze passage, omdat die helemaal nergens over gaat. Dit niet eens zo dikke boek leest stroperig, je snapt het allemaal wel, maar je komt er niet goed dóór. Pas als je dit soort zinnen nog eens herleest, en het boek barst van dit soort stijlbloempjes, snap je waar dat stroperige gevoel vandaan komt.

Een vriend rijdt de hoofdpersoon in zijn auto naar het vliegveld:

‘Ergens tegen de avond zaten we samen in zijn witte Ascona en reden over de Grande Racordo – de grote omhelzing - in de richting van de zee, weg van de stad, een vertrouwde snelweg. Aangenaam uitzicht, juist omdat hij zo voorspelbaar was: asfalt onder je banden en voor je uit, een bermscheiding, die in Italië meestal uit een streep beton bestaat, verkeersborden op hun hoge metalen poten, ver boven ons uit. (...) Ik keek uit over het landschap, dat weinig opmerkelijk was, vlak en droog – zelfs in de winter. Het leek wel alsof ik in de trein zat; bijna had ik mijn hoofd tegen het raam laten rusten.’

Waarom bijna? Waarom niet? Waarom leek het of hij in een trein zat? Waardoor? Wat is nu het uitzicht, de blik op het asfalt of het uitkijken over het landschap? Wie was er nu voorspelbaar, de weg of het uitzicht? Bestond de bermscheiding ter plekke nu wel of juist niet uit een ‘streep’ beton, zoals meestal in Italië? Waarom hebben de verkeersborden op hun hoge metalen poten geen werkwoord meegekregen? Wat deden ze hoog boven jullie uit? Omvallen? Omhoogschieten? Blikkeren in de ondergaande zon? Wat is dit voor denkluie vorm van impressionisme? Heb ik misschien iets wezenlijks gemist? Ik weet zeker van niet.

Getagd onder

  • Wat
    Stefan van Dierendonck, En het sneeuwde in Rome
  • Waar
    Presentatie bij Dekker v.d. Vegt
  • Wanneer
    2 maart 2017