Skip to main content

Literaire beschouwingen van Jos Joosten

| Jan Maurits Schouten | Woord
Literaire beschouwingen van Jos Joosten

Onze fameuze stadgenoot, literatuurwetenschapper prof.dr. Jos Joosten, heeft een bundel doen uitgeven met veelal elders eerder gepubliceerde stukken over literatuur: 'Och, eeuwig is zo lang'. De titel wekt verwachtingen, maar het is geen boek voor de eeuwigheid.

Een nadeel van het bijeenbrengen van verschillende artikelen uit verschillende publicaties is dat je bij het ter perse voorbereiden de lange eindredactionele lijn wel eens kwijtraakt. En als je dan in je eerste stuk een paar keer te veel de wat gratuite, lichtironische kwalificatie ‘fameus’ hanteert (in dit geval voor de 15e eeuwse prediker en dichter Jan Brugman), dan gaat een lezer op zo’n woord letten. ‘Fameus’ blijkt graag gebruikt gereedschap in Joostens taalkundige gereedschapskist door deze bundel heen.

Polemische stukjes

En dat terwijl we Joosten kennen als een best scherp en precies formulerend columnist. Ik weet niet of hij zijn commentaren nog steeds publiceert in enige gedrukte media (vroeger had hij een column in het KUnieuws van de Nijmeegse universiteit). Maar in ieder geval op zijn persoonlijke Facebookpagina (ja, ook prof.dr. Joosten is een boomer) weet hij bijna dagelijks een aardig stukje te produceren. Dat is niet zelden sterk polemisch van aard. Het vele gebruik van de stoplap ‘fameus’ in dit nieuwe boek van onze stadgenoot is in vergelijking tot die elders zo doeltreffende pen illustratief. Ook inhoudelijk zijn de stukken vaak wat ongericht van opzet (uit de eerste bijdrage, over die fameuze Brugman, haal ik niet echt een drijvende gedachte. Het artikel is hybride: tegelijk een beschouwing over de dichtende geestelijke aan wie we de uitdrukking ‘Praten als Brugman’ te danken hebben, als ook een inleiding op de rest van het boek).

Vreemde rode citaten

Tegelijk zijn alle teksten bepaald serieus wetenschappelijk onderbouwd: er is een notenapparaat en een indrukwekkende lijst met geraadpleegde literatuur. In de opmaak valt op dat soms citaten zomaar mooi gecentreerd staan in rode letters in de verder zwart-op-witte tekst. Maar dat is niet bij alle citaten het geval, en er is ook geen hiërarchie te ontdekken. Je zou verwachten dat alleen teksten uit een behandelde brontekst deze speciale behandeling verdienen. Maar evengoed zijn het soms citaten uit literatuurwetenschappelijke publicaties. Beide categoriën van citaten komen ook wel niet-rood en niet-gecentreerd in de hoofdstukken voor. Verwarrend.

Leesinstructie verwart

De nieuwe bundel beschouwingen van Joosten heet zoals gezegd ‘Och, eeuwig is zo lang, Zeshonderd jaar Nederlandstalige literatuur in het licht van de eeuwigheid.’ Bij die titel wil ik zeker geen eeuwigheid stilstaan. Maar wel bij de leesinstructie van zo’n titel, het verwachtingsmanagement. Nee, dit is geen doorwrocht standaardwerk over álle Nederlandse literatuur in diepgravend onderzoek. In de bundel wordt een aantal auteurs uit verschillende tijdsperiodes besproken, en meestal daarvan slechts één werk. Daarbij gaan zeven stukken over teksten uit de 14e tot de 19e eeuw en vijftien over de twee eeuwen daarna. Niet één tekst gaat over een literaire tekst uit onze huidige eeuw, die weliswaar nog geen ‘eeuwigheid’ maar toch al wel 26 jaar duurt.

De professor draagt een steentje bij

Doet Joosten dan een grote greep? Laat hij in zijn stukken een visie op al die eeuwen vaderlandse literatuur blijken, geeft hij met welgerichte illustratieve teksten een metavisie op al die tijd en al die boeken? Wederom: neen. Het zijn stuk voor stuk kleine beschouwingen over lang niet altijd heel interessante kwesties, vaak ingebed in een discours met allerlei specialistische publicaties uit de (literatuur)wetenschap. De prof.dr. draagt zijn steentje bij aan de voortschrijdende inzichten in zijn vakgebied, dat is het vaak meer, al schroomt hij de polemische toon niet: veel wetenschappers hebben altijd iets verkeerd gezien, Joosten gaat ons vertellen hoe het werkelijk zit.

Bomans als essayist

En dan kan het aan mij liggen, maar verschillende van die ‘nieuwe’ Joostiaanse inzichten zijn voor mij, ongediplomeerd literatuurlezer, niet heel nieuw, om het maar voorzichtig te zeggen. Bijvoorbeeld dat Godfried Bomans heel goede en gedegen essays schreef. Joosten breekt een lans voor hem en dat is te prijzen. Maar zouden er nog mensen zijn die alleen nog een ‘humorist’ zien in de Grote Haarlemmer Die Ook Even in Nijmegen Woonde? Diens humoristische werk is trouwens ook best diep, neem ‘Kopstukken’, daar kun je op promoveren, lijkt me. Maar veel van wat ik weet over Dickens, Goethe en Lodewijk van Dijssel - om er maar een paar te noemen - weet ik door Bomans.

De avonden geen hippie-boek

En dat De Avonden van Gerard Reve helemaal geen jaren zestig hippie-verzet avant la lettre tegen na-oorlogse spruitjeslucht representeert, las ik al de eerste keer. Ik ben een liefhebber van veel van Reves romans (eigenlijk misschien nog wel meer van zijn gedichten), maar in De Avonden treffen we een akelig, plaagziek, burgerlijk jongmens met babbelziekte en een obsessie met kaalheid. Joosten brengt zijn ontdekking als een revolutie in het denken over dit boek. Overigens best wel eens goed dat dat nogmaals gezegd wordt.

JoostenJos Joosten © uitgeverij Vantilt

Een beetje crinch

Zo is er méér een beetje crinch. In ‘Een nagelaten bekentenis’ van Marcellus Emants bekent de protagonist omslachtig een moord. Maar wie bij eerste lezing niet meteen doorheeft dat het maar net de vraag is óf hij die moord wel werkelijk pleegt, en dat dat juist de crux is van het boek is, - een slappe man bekent een halfslachtig pogen -, die kan niet lezen. Joosten vertelt ons dat de hele literatuurwetenschap dit tot nu toe niet gezien heeft en vindt zichzelf een cold-case rechercheur die een onopgeloste moord, of in dit geval een niet-moord, aan het licht brengt.
En dat in Sara Burgerhart een (poging tot) aanranding plaatsvindt waartoe de vrouwelijke hoofdpersoon zich na afloop met alle misplaatste gevoelens van schaamte van dien verhoudt, is zeker waar. Maar dat presenteren als de eerste #metoo in de literatuur mikt wel een beetje te laag, in het licht van alles dat in de wereldliteratuur sinds Sappho is geschreven over vrouwelijke gevoelens in relatie tot de ongelijke verhoudingen in de betrekkingen tussen de seksen.

Mariken, Gabriël en de orale traditie

Stadgenoot Joosten kennen we ook van zijn betrokkenheid bij het geschiedkundige verenigingsleven van Nijmegen. In deze bundel staan maar liefst twee stukken over Mariken van Nieumeghen. Die waren leerzaam voor mij, want ik weet daar maar weinig van. Het speurwerk naar de herkomst van de engel Gabriël in samenvattingen van dat verhaal, die in het origineel in het geheel niet voorkomt, lijkt me degelijk en overtuigend. Point taken en door: Nu die engel die Marikens ringen verbrak nooit meer Gabriël noemen, mensen! Het was een anonieme engel!

De andere Mariken-beschouwing is vrij curieus. Joosten doet veel moeite om te laten zien dat de oudste geschreven Nederlandse versie van dat verhaal zodanig afwijkt van de oudste geschreven Engelstalige versie, dat de ene niet op de andere gebaseerd kan zijn. Hij acht die gevolgtrekking voldoende aanwijzing voor het vermoeden dat er een nóg oudere geschreven oertekst van het verhaal geweest moet zijn, waarvan misschien ooit ergens een exemplaar opduikt. Een romantisch idee.
In een bijzin schrijft de professor tevens dat het onderzoek naar de orale traditie, dus het mondeling doorgeven van dit volksverhaal, nog nauwelijks onderzocht is. Die twee constateringen laat hij naast elkaar staan. De overweging dat er geen GESCHREVEN brontekst vóór de twee oude teksten geweest hoeft te zijn, als er wel een GESPROKEN brontekst was, en dat die juist de reden voor de afwijkingen in de geschreven teksten kan zijn, lijkt niet door het fameuze denkhoofd gegaan te zijn.

Een paar niet zo consistente uitgangspunten

Jos Joosten gaat in veel van deze, alsook in de andere teksten, in op de receptie van het geschrevene. Vaak probeert hij iets recht te zetten (Bilderdijk was ook weer niet zó’n prutser als we denken, Anna Blamans roman werd ook weer niet zó vreselijk afgefakkeld door confessioneel Nederland als later beweerd werd). Dit in het licht van de nogal postmodernistische veronderstellingen dat A: poëtica pas sinds een eeuw of twee bestaat als een persoonlijk programma (wat me onzin lijkt en het wordt aan de hand van de 14e-eeuwer Jan van Boendale ook meteen ontkracht), B: dat ‘close reading’ iets is dat pas een paar decennia bestaat (nog nooit Multatuli een tekst, bijvoorbeeld van Bilderdijk, woord-voor-woord zien fijnmalen?), C: dat de traditie en de tijdgeest van nu uitmaken of een literaire tekst uit een andere tijd lezenswaardig is of niet (waarom heb ik dan zo’n lol in het lezen van Xenophoon of Couperus? Zou er ook zoiets als een tijdloos kunstwerk kunnen bestaan?), D: dat er ‘raampjes’ in teksten zitten waarin je opeens zicht krijgt op een andere tijd (Erg eens, zie C), en E: dat er maar heel beperkt zoiets bestaat als schrijven voor de eeuwigheid, want op elk moment in de tijd wordt een tekst met nieuwe ogen gelezen (wat een fijne contradictie is gegeven de voorgaande punten en nochtans waar).

Kon het beter?

Mijn, geheel persoonlijke en in de pap der tijden gedrenkte, oordeel over dit boek: een vlot leesbare verzameling nogal dik aangezette causerietjes met nogal losse gedachten waarvan je nochtans hier en daar wat leerzaams oppikt. Over stijl en het vasthouden van een heldere betooglijn heb ik veel redenen om aan te nemen dat onze fameuze stadgenoot beter kán. Gewoon met wit papier opnieuw beginnen was misschien beter geweest dan bestaande producties te willen hergebruiken.
   

Getagd onder


Deel dit artikel