Skip to main content

'Aswoensdag' van Hanneke Hendrix: altijd maar weer koffie

| Jan Maurits Schouten | Woord
'Aswoensdag' van Hanneke Hendrix: altijd maar weer koffie
Foto: jan maurits schouten

De Nederlandse literatuur herontdekt het dorp. En niet langer meer als een achtergebleven gebied waar de schrijver bevreemd voor kortere of langer tijd naar terugkeert, maar als plek waar de dingen echt zijn, louterend. Zie ook de roman Aswoensdag van Hanneke Hendrix die afgelopen zaterdag bij Dekker van der Vegt in Nijmegen ten doop werd gehouden.

Zaterdag, dat is eigenlijk één dag te vroeg, want de elfde van de elfde zou waarschijnlijk toepasselijker geweest zijn. Aswoensdag is immers de dag na carnaval, of ‘vastelaovend’, zoals ze dat volksfeest in Sint Nazareth Aan de Woestijn noemen. Dat Sint Naaz is het verzonnen dorp in Noord-Limburg waar de hoofpersoon, Marit, aan het begin van de roman naartoe rijdt, gealarmeerd door bemoeizorger Rudy, om haar dementerende moeder te gaan beredderen. De naderende vastelaovend werpt allerwegen zijn sfeer van ongecompliceerde, louterende gekte vooruit, zoals ook de slagschaduw van de puinberg van de kolenmijn, waar nu een skiresort op gevestigd is, zijn Louteringsberg-aspiraties over het verhaal legt.

Want… Marit is een vrouw in crisis. Bezig met de zoveelste ivf-behandeling voor het kind dat zij en haar man Maarten zo lang al willen, uitgeput en twijfelend aan zichzelf en aan haar relatie. Vanaf het begin is duidelijk dat de relatie met haar moeder ook op een dieptepunt was voor het telefoontje uit Noord-Limburg kwam.

De met veel wit en ruime bladspiegel opgezette roman tikt de 268 pagina’s aan, maar had veel dikker kunnen zijn. Veel wordt aangeduid en niet beschreven. Het plot had alle kanten op kunnen gaan en het einde is zelfs een regelrechte deus ex machina, die we maar voor lief moeten nemen. Kennelijk gaat het Hendrix in dit boek om iets anders.

En dat is belangrijk en interessant genoeg. Als ik een poging mag wagen: ze tracht het dorpse leven van binnenuit te beschrijven, ook al is de teruggekeerde dochter ooit weggeweest. Marit wordt ook meteen herkend op straat, volk loopt het huis in en uit en steeds is er koffie, thermoskannen vol met filterkoffie, opgeschonken met een fluitketel. We voelen ons, met Marit, ondanks alle ellende rond haar moeder en haar persoonlijke worstelingen, thuis in dit milieu, waar mensen zomaar kunnen uitbarsten in liedjes vol troost en verdriet. Dat is een deel van de loutering die ze doormaakt, of de voorwaarde ervan.

Het andere experiment in dit boek is de poging om de geest van de moeder, haar moeder, haar vader, die van Marit en ook die van haar vader in elkaar over te laten vloeien. De dementie van de moeder opent een luik in de keukenvloer waar herinneringen door naar binnen kunnen kruipen, bewegingen van vroeger herhalen zich en maken dingen in het heden duidelijk. De familie beheert een verschrikkelijk verdriet en in de kern daarvan een verschrikkelijk geheim. Daarvan komt stukje bij beetje iets naar boven. Niet omdat er iemand naar op zoek is, maar omdat de dans van het leven er de patronen van tekent.

De vastelaovend is de loutering, de catharsis van dit alles: gekken worden normaal en andersom, de levenden dansen een eeuwige, melancholieke dans.

Aswoensdag is daarmee, ondanks het wat abrupte eind, waar niets werkelijk is opgelost maar het wel zo lijkt te voelen, een rijk en interessant boek. Vol emoties die juist in Nijmegen, met zoveel mensen, die voor studie of werk ooit uit een dorp in Noord-Limburg of oostelijk Noord-Brabant gekomen zijn, herkenbaar zullen zijn.

De keuze om het dorpsleven niet van buitenaf, als iets vreemds of iets achterhaalds of iets lach- of deerniswekkends te behandelen (denk Terug naar Oegsgeest, van Wolkers of De Literaire Kring van Maxim Februari), maar als een wereld die er gewoon ‘is’ en voor mensen ook ‘thuis’ betekent, komt vaker voor onder schrijvers van Hendrix’ generatie. Zoals in Joe Speedboot en De heilige Rita van Tommy Wieringa, als typisch mannelijke tegenhangers, waarin het plattelandsleven ook gethematiseerd wordt. Dat is een verschil met het recentelijk, ook bij De Geus, verschenen Zomervacht van Jaap Robben, dat zich ook wel op het platteland afspeelt, maar dan in een geconstrueerd zelfkant-theater, en niet opgaat in het volkse dorpsleven.

Het is zoals de grote Persingse filosoof Daphne Deckers – tot gekwordens toe – beweert: “Je kunt het meisje wel uit het dorp halen, maar het dorp niet uit het meisje.” Aswoensdag onderzoekt wat die uitspraak werkelijk zou kunnen betekenen. Een zeer lezenswaardig literair onderzoek.

Getagd onder

  • Wat
    Presentatie roman Aswoensdag
  • Waar
    Dekker vd Vegt

Deel dit artikel