Denk (niet) zwart-wit: over polderprogrammeren en een nachtelijk steegje
‘Ik ben een paasei, maar dan zonder surprise’, zegt Nadia in Confidenza van Daniele Luchetti tot haar aanstaande echtgenoot Pietro. Ze staan op punt van trouwen, maar heel nobel geeft zij hem nog de kans om zich terug te trekken. Een paasei zonder surprise, dat is misschien wel een treffende omschrijving voor de film zelf. Hebben de filmtheaters überhaupt verrassingen voor ons in petto?
Je voelt aan alles in Confidenza dat het een boekverfilming is. Typisch zo’n ‘kwaliteitsproduct', haarfijn geprefabriceerd, maar ook wat futloos. Pietro doceert zijn middelbare scholieren over ‘liefde’, en het antwoord van Teresa luidt: liefde is een machtsstrijd, want de een onderwerpt zich aan de ander. Goh, dat kan spannend worden, maar wat blijkt?
Als zij jaren later samen in bed liggen, stelt de ex-leerlinge voor: "Ik vertel jou een geheim dat ik nooit met iemand heb gedeeld, en jij vertelt daarna mij zo’n geheim. Dat versterkt onze vertrouwensband, en dus onze relatie." Zij fluistert iets in zijn oor, en hij daarna bij haar. Haar gezicht betrekt en de volgende dag is zij vertrokken. Tjonge, dat moet me nogal een geheim geweest zijn. Maar hij weet nu ook dat hij kwetsbaar is, want Teresa kan hem nu altijd chanteren. Ah, dat bedoelde zij met ‘macht’, want Pietro is vanaf nu in de ban van de angst: wat als zij zijn geheim aan derden verklapt?
Die vraag moet het drama in Confidenza nog zo’n 90 minuten draaiende houden, maar als collega Ted Chiaradia over Babygirl schrijft: ‘als kijker ervaar je geen drama, geen verontrusting, geen pijn, de film gaat uit als nachtkaars,’ dan gold dat voor mij veel eerder voor Luchetti’s film, die in de Nederlandse bioscopen te zien is omdat-ie vorig jaar op het filmfestival in Rotterdam de Big Screen Competition heeft gewonnen. Het klinkt als een aardig idee dat je publiek uit een reeks titels de ‘beste’ laat kiezen, maar dat levert eigenlijk altijd een slechtere keus op dan wat een goede programmeur zou selecteren. Je zou het polderprogrammeren kunnen noemen.
Sex en Animale
Als in Confidenza geheimen alleen in oren worden gefluisterd, dan zijn we in het Noorse drama Sex van Dag Johan Haugerud steeds getuige van intieme ontboezemingen: over een eenmalige homoseksuele escapade, over een droom met David Bowie die de man aankijkt alsof die een vrouw is, over een gespannen tong, over menstruatiepijn, over een mislukte tatoeage (de naam ‘Frank Lloyd Wright’ in een Le Corbusier-font). Het is een praatfilm van dik twee uur, onderhoudend, maar soms wat oeverloos. Ik denk dat wijlen Eric Rohmer er een half uur zou hebben uitgeknipt. Hij had als Fransman patent op de ‘praatfilm’, maar de gesprekken waren altijd raak.
Een andere Franse specialiteit, van recentere datum: films die zich als bijzonder extreem profileren. Denk aan werk van Julie Ducournau, Gaspar Noé, Catherine Breillat. Als je de plot van Animale van Emma Benestan navertelt, dan lijkt het een heftige film. Het gaat om een groep schijnbaar roekeloze jongelui die de piste inrennen om kwastjes van de hoorns van stieren te pakken. Uiteindelijk worden drie mannelijke lichamen doorboord en via een staaltje body-horror snappen we welke doorgedraaide stier daar debet aan is. Het camerawerk bleek de belangrijkste troef, want het wat stroperig vertelde drama viel minder extreem uit dan ik had verwacht én gehoopt. De stieren waren al met al minder tam dan de film zelf.
Queer en Torch Song
Queer van Luca Guadagnino was evenmin de gehoopte verrassing. In het Mexico van de jaren vijftig hunkert William Lee naar mannenlichamen, en dan vooral het lijf van Eugene (dat is een plus) en we zien een fraai fragment uit Orphée (Jean Cocteau, 1950). Dat Queer mij nauwelijks wist te beroeren, was omdat de hallucinante scènes worden opgeroepen door geestverruimende middelen en dus strikt afgescheiden zijn van de realiteit. Die hallucinaties worden nooit meer dan rare verbeeldingen, en daar is weinig verontrustends aan. Daarmee mist Queer de kwaliteit die het beste van de onlangs overleden David Lynch kenmerkt. Diens werk creëert een permanent sudderend onbehagen bij de kijker, omdat feitelijke wereld en droomwereld zodanig in elkaar overvloeien dat de hiërarchie komt te vervallen.
Misschien moet u in de programmering dan toch maar zoeken naar het kleine, maar fijne Torch Song van Jeroen Houben, geboren in het Limburgse Haelen. Ondanks het feit dat deze ‘fakkelballade’ afgelopen jaar de prijs van de Nederlandse Filmjournalisten won, is het een veeg teken dat die niet dagelijks geprogrammeerd staat in LUX. De verwachtingen zijn blijkbaar bescheiden.
In Torch Song komt een gevierde zangeres uit Amerika, na de dood van haar moeder, bij haar halfbroer in Amsterdam logeren. Tijdens haar verblijf zien en horen we hoe ze haar melancholieke nummers componeert en zingt. Ze gedraagt zich geregeld als een groot kind dat naar aandacht hengelt. Haar aanwezigheid versterkt de ‘passieve wanhoop’ van haar halfbroer. Deze heeft een relatie met een (naakt)model op de kunstacademie dat meer dan ze zich realiseert, ook in het dagelijkse leven de ogen graag op zich gericht weet.
Schurende interactie
Torch Song heeft een aspect ratio van 1:1.66 omdat dat beeldformaat het meest geschikt is voor (foto)portretten, aldus Houben. De film moest voelen alsof je door een familiealbum bladert, waarbij Houben zich vooral wilde concentreren op zijn drie hoofdpersonages. Hun schurende interactie wordt getoond in korte, episodische scènes (Houbens film is in hoofdstukken verdeeld), die soms droogkomisch zijn.
Symptomatisch voor de toon is een scène over een vakantiecampagne waarvoor de halfbroer een reclametekening moet maken. Het bureau is vol lof over het ontwerp op de skipiste, maar wil graag een familiehond erbij. Voor de tekenaar is dat een niet-passend detail: dat oogt gezellig, maar een hond op de piste is onpraktisch. Dat kun je doortrekken naar de film zelf: Houben had er een gezellige boel van kunnen maken, of een heuse komedie, maar hij neemt zijn personages serieus als zoekende dertigers, die af en toe kregelig reageren op elkaar – of op de Vlaamse muzikant die pardoes het huis komt binnenzeilen. Mede door het wat landerige ritme van Torch Song kan het ongemak tussen de personages onderling ook op de kijker overslaan.
Nightmare Alley
Uiteindelijk beleefde ik de meest onverwachte gewaarwording deze maand tijdens de ‘Black and White-night’ in Eye. Die avond was gewijd aan een aantal films die in kleur zijn uitgebracht, maar waarvan ook zwart-wit versies bestaan, omdat de regisseur dat per se wilde. The Mist (2007) van Frank Darabont was de eerste en in zwart-wit oogt deze horror-sciencefictionfilm als een monsterfilm uit de jaren vijftig.
Dat zwart-wit een toegevoegde waarde is, is echter geen garantie. Ik was in 2020 bij de ‘wereldpremière’ van de zwart-wit-versie van Parasite op het filmfestival van Rotterdam. Bong Joon Ho was er speciaal voor overgekomen uit Amerika, waar hij toen promotie moest maken om de kansen te vergroten dat de film de Oscar zou winnen voor Best Picture. Ik bespaar me die moeite, zei Bong, want 1917 van Sam Mendes gaat toch winnen. (Niet dus, want verrassend genoeg won Parasite wèl). Maar je kunt Parasite beter in kleur zien. Als de zoon van het arme gezin ziet hoe kleurrijk iedereen is gekleed op een spontaan georganiseerd tuinfeest, beseft hij: hier pas ik niet, en dat besef zet het slot in gang. In zwart-wit had deze sleutelscène veel minder impact.
Inspiratie voor de avond in Eye was een zwart-wit versie van Mad Max: Fury Road (George Miller, 2014), die filmmaker en programmeur-van-dienst Martin Koolhoven had omver geblazen. De kleurenversie vond hij al verpletterend, maar deze was misschien nog wel beter. Nu was Koolhoven benieuwd naar de zwart-wit versie van een film die hij in kleur niet zo heel goed had gevonden – en ik evenmin, trouwens: Nightmare Alley (Guillermo del Toro, 2021), een remake van de gelijknamige zwart-wit film uit 1947, met indertijd een hoofdrol voor Tyrone Power. Zo goed als ik deze noir van Edmund Goulding vond, zo teleurstellend was die van Del Toro. Maar verhip, de zwart-wit versie van de remake kwam oneindig veel beter over dan in kleur, en in de nababbel aan de bar bleek dat iedereen die beide versies kende die mening was toegedaan. De nieuwe Nightmare Alley in zwart-wit was neo-noir op z’n paasbest.