L’avenir van Mia Hansen-Løve vs Nederlandse art-house
Hoe je in een ander te verplaatsen?
Onlangs pleitte ik in mijn column 'Stukje Parijs' voor meer klassieke films in Oost-Nederland. Het is vast teveel eer om te claimen dat mijn opiniestukjes enig effect sorteren. Maar hoe dan ook, sinds afgelopen weekend heeft LUX Nijmegen het initiatief LUXrewind ontwikkeld: op zondagmiddag een klassieke film.
Hopelijk niet elke keer al om 13 uur, want ik moest nu mijn sportochtend een beetje inkorten om erbij te kunnen zijn… maar dat is louter een persoonlijk ongemak. LUXrewind is met die ene wekelijkse klassieker bescheiden in omvang, en dus maar een ieniemienie-'stukje Parijs', maar ik ga niet de kniesoor uithangen: een pluimpje voor LUX. De aftrap was met The Virgin Suicides, de puike debuutfilm van Sofia Coppola. De film werd oorspronkelijk uitgebracht in 1999, dat door deze en gene is uitgeroepen als het beste jaar in de filmgeschiedenis, met ook films als The Matrix, Fight Club, Being John Malkovich, Magnolia, The Sixth Sense, Eyes Wide Shut, All About My Mother. Overigens vind ik zelf 1959 het beste jaar uit de filmgeschiedenis, met onder meer Anatomy of a Murder, North by Northwest, Some Like it Hot, Rio Bravo, Imitation of Life, Il generale della Rovere, Odds Against Tomorrow, Les 400 coups – maar dat terzijde.
The Virgin Suicides
Rapport Olsberg roept vragen op
Ik heb trouwens nog een vervolg op mijn vorige column, gewijd aan het recente rapport van Olsberg SPI over de stand van zaken in de Nederlandse film. Ik had gegevens uit het rapport overgenomen, maar, zo attendeerde een filmmaker mij, die klopten niet allemaal. De films Tirza en Kauwboy zaten enkel in een voorselectie en Olsberg meldde abusievelijk dat ze waren genomineerd voor de European Film Awards. Op z'n minst best slordig van Olsberg. Maar minstens zo vreemd een pdf die ik afgelopen week kreeg toegestuurd van een stageonderzoek, uitgevoerd in juli 2017 door Arnout van der Maas. Als stagiair bij het Filmfonds had hij de exportpositie van de Nederlandse arthouse films onder de loep genomen en vergeleken met die in België, Zweden, Denemarken en IJsland. Olsberg had opdracht gekregen van datzelfde Filmfonds, met een inmiddels gewisselde staf, om min of meer eenzelfde onderzoek te doen, maar de opdrachtgever was blijkbaar onbekend met het interne stageverslag. Belangrijkste verschil was dat IJsland vervangen was door Oostenrijk. Voor de uitkomst maakte het trouwens niet uit, want de Nederlandse exportpositie is in beide onderzoeken weinig florissant. En ook een beetje onthutsend: het stageonderzoek van de student uit Utrecht deed zeker niet onder voor dat van het 'gerenommeerde' onderzoeksbureau.
Poster Odds Against Tomorrow
De film L'avenir
In die vorige column kaartte ik aan dat er te veel Nederlandse arthouse films zijn over personages met nare belevingen. Die films zijn steevast gericht op empathie, op emotionele herkenning. Het toeval wil dat ik afgelopen week een nagesprek leidde in een uitverkochte bioscoopzaal (104 stoelen) in Utrecht bij de film L'avenir (Mia Hansen-Løve, 2016), een film die ik overigens zelf had uitgekozen. Isabelle Huppert speelt een filosofiedocent, begin zestig, die alles lijkt te verliezen: haar moeder, die voortdurend een beroep op haar doet, overlijdt; haar kinderen zijn het huis uit en haar man verlaat haar voor een andere vrouw. Tegen een jonge oud-student zegt ze echter dat ze niet alleen is, maar dat ze haar vrijheid herwonnen heeft. Aan het eind wordt ze oma en troost haar huilende kleinzoon.
Isabelle Huppert in L'avenir
Illustratieve casus
Dat klinkt niet direct als een weerbarstige film, maar ik had nooit echt goed greep op L'avenir gekregen, vandaar dat die me geschikt leek voor een discussie achteraf. En dat bleek, want het publiek reageerde totaal uiteenlopend op de film: van triest tot opbeurend; de een vond het personage onthecht en weinig geëngageerd, terwijl de ander haar bekommernis om de kat Pandora van haar overleden moeder aandoenlijk vond. Maar het publiek had het ook lastig gevonden om zich met het personage te identificeren. En dat had voor een groot deel met de vorm te maken. Hansen-Løve draait gewone, alledaags ogende scènes, en maakt daarbij geen onderscheid tussen een terloops en schijnbaar onbeduidend gesprek of een beladen conversatie. We krijgen scènes met personages die ze per toeval ontmoet. In elke andere film krijgen zulke personages nog een rol, want dat maakt die ontmoetingen functioneel, maar hier niet. Als Hansen-Løve al muziek gebruikt, dan is dat niet ter markering van een belangrijke scène, bij voorbeeld bij de echtelijke breuk, maar bij zo maar een autorit. Bovendien heeft elke film van haar een onorthodox ritme. Zit je in een terloopse scène, dan kan ze plots wegsnijden naar een andere scène, waarbij van alles is overgeslagen dat je als kijker zelf maar moet invullen. Opvallend is verder een heel kort shot waarin de filosofiedocent uit L’avenir huilt, maar dat is zo losjes tussen twee ogenschijnlijk triviale scènes geplaatst dat je niet kunt vatten waarom ze verdrietig is. Aan het begin van de film kijkt ze een filosofisch essay na van een student met als insteek 'hoe je in een ander te verplaatsen?' En eigenlijk zegt de rest van de film tot de kijker: 'probeer maar of het je lukt.'
Isabelle Huppert in L'avenir
Mia Hansen-Løve: leerzaam voorbeeld
Bij het gros van de Nederlandse art-house films heb ik het idee dat identificatie te gemakkelijk is, misschien uit een soort angst om de kijker te verliezen. Men wil te graag ‘invoelende’ films maken, en muziek wordt ingezet om dramatische scènes te onderstrepen. Nadeel daarvan is dat de film na afloop ook 'klaar' is: die blijft niet nazinderen, zoals L'avenir dat wel gedaan had bij zowat de hele zaal – juist omdat die film het de kijker nooit eenvoudig genoeg maakt om je in het hoofdpersonage te verplaatsen. Daardoor behoudt de film iets ongrijpbaars, waardoor kijkers geïntrigeerd raken omdat ze niet zo goed weten hoe zich tot de film te verhouden. Kortom, Nederlandse art-house filmmakers, leer van Mia Hansen-Løve, analyseer en bestudeer haar werk, of op z’n minst L’avenir, waarvoor ze indertijd in Berlijn, op een van de grote filmfestivals, een Zilveren Beer won als beste regisseur.
-
Waar-