Het Blauwe Wonder, anekdotische roman van Marcel Rözer
Een superromantische liefdeservaring, een diepgevoelde Vatersuche, een getormenteerde hoofdpersoon op zoek naar loutering, Fernweh en reisangst en altijd maar rivieren, rivieren. Het valt mee te voelen dat de Nijmeegse auteur Marcel Rözer een grote roman heeft willen schrijven. Maar dat is Het Blauwe Wonder niet geworden.
Niet dat het geen aardig boek is, Het Blauwe Wonder, de vorige maand – aan het begin van de coronatijd – gelanceerde eerste roman van Marcel Rözer, vooral bekend van zijn columns in De Gelderlander en zijn publicaties over sport. Rözer schreef al eerder een boek, Zo Vader, dat naar ik lees op de flaptekst van Het Blauwe Wonder, ging over de ‘erfenis van een foute keuze: zijn vader diende bij de Waffen-SS’.
Het lijkt erop dat Rözer dat andere boek bij de lezer vooronderstelt bij lezing van Het Blauwe Wonder. De hoofdpersoon van die roman, Johan, heeft óók een vader die bij de SS gediend heeft. Hij bezit een verzameling dagboeken van die vader, wiens handschrift hij niet kan ontcijferen. Een oud-collega blijkt dat wel te kunnen, maar eigenlijk vernemen we, tot helemaal aan het einde van het boek, daar verder weinig van. Moeten we in Johan eigenlijk Rözer herkennen en de thematiek van zijn non-fictieboek meelezen in deze roman? Tot welke hoogte dan? Nee, zo gaat dat niet.
Want: Johan, de hoofdpersoon van de roman dus, reist vlak na de val van de muur met een vriend naar Dresden en ontmoet daar een jonge vrouw, Rosa, waarmee hij een voor hem heel bijzondere tijd beleeft. Als lezer denk je dan al lang dat die vader en Dresden iets met elkaar van doen moeten hebben. Als dat aan het eind van het boek dan ook zo blijkt te zijn ben je niet verrast en maakt het ook weinig uit. Die verdwenen vader met dat foute verleden speelt geen spanningbrengende rol in het boek. (ik heb dan ook niet het idee dat ik hiermee iets weggeef). Er worden in de laatste pagina’s van deze roman wel meer zaken afgeraffeld afgerond, terwijl er ook nog eens een heleboel verhalen over elkaar tuimelen. De roman gaat aan het eind in een plotselinge, uit de rest van het boek onverklaarbare, overdrive.
Een wel invoelbare verlegenheid
Het Blauwe Wonder valt, zoals ik het zie, in drie delen uiteen: de hoofdpersoon zit in deel een in retraite in een Nijmeegs stadsklooster en schrijft daar zijn herinneringen op aan die mooie tijd in Dresden, teksten die hij voorleest aan een Elisabeth geheten moeder-overste. Dan volgt een lang, erg lang, gedeelte waarin Johan, een gesjeesde geschiedenisleraar die met mentale problemen en angsten kampt – waar we overigens inhoudelijk weinig van meekrijgen behalve een angst om te reizen – en die schipper is op de pont tussen Millingen aan de Rijn en Tolkamer. (Tolkamer ligt overigens volgens de auteur in Duitsland, maar dat is toch echt niet het geval)
In dat deel van het boek verlangt hij er steeds naar om naar zijn ex-geliefde, Rosa, in Dresden te gaan, maar gaat niet. Waarom dat is, afgezien van die niet nader uitgediepte angst om te reizen en een wel invoelbare verlegenheid om die (met een ander getrouwde) oude vlam weer onder ogen te komen, wordt niet duidelijk. Genoemde oude vlam laat hem zelfs met enige tussenpozen weten dat hij welkom is, maar dat lijkt weinig aan de zaak te veranderen.
En dan is er dat derde, ultrakorte, deel. Daarin reist Johan uiteindelijk wel naar Dresden, speelt zich daar van alles af, wordt en passant nog even uitgelegd waarom Johan Johan wordt genoemd en Rosa Rosa, verklaringen die overigens niets verklaren. En dan komt alles op een wat onwezelijke manier min of meer goed.
Daar wordt dan bij verteld dat hij het spannend vindt
In het middendeel is Johan dus schipper: hij gaat nergens heen maar vaart wel de hele tijd, begrijp je wel? En op die reis die geen reis is, op de eeuwige rivier, ontmoet hij verschillende figuren, allemaal mannen (met één kleine bijrol voor een vrouw) die je nogal de oren van je kop praten. Maar het is wel diepzinnig allemaal, want de symboliek ligt er duimendik bovenop en wordt ook regelmatig onderstreept: de rivier die maar stroomt (het panta rhei van Heraclitus wordt erbij gehaald want er moet ook onderstreept worden dat we niet van de straat zijn), de veerman die soms een Charon gelijkt, het leven dat voorbij trekt… dat soort dingen. Die Johan, die niet van reizen houdt, gaat naar Heijplaat in Rotterdam voor een conventie van zelf-varende pontschippers, reist met één van zijn pontvriendjes tot diep in Duitsland voor een boek over over…pontschippers. En ja, daar wordt dan soms wel bijverteld dat hij dat spannend vind, maar van veel belang lijkt dat niet te zijn.
Zoals urgentie en spanning in dit verhaal helemaal wat ontbreekt. Ze worden er ergens in het begin wel ingestopt: een getroubleerde hoofdfiguur, een verdwenen foute vader, een geluksmoment dat misschien wel een godservaring was, een ‘rode hond’ – een soort demon van Johan – die opstandige dingen sist... Maar alles verdwijnt ook weer en zwakt zo ver af dat het niet meer van belang is. Dat ze in het derde deel nog even terugkomen lost dat niet op.
Marcel Rözer is niet zo'n sterke stylist
Wat dan blijft is een verzameling verhalen en vertellingen. De bootkameraden van Johan hebben het een en ander meegemaakt en weten daar aardig over te vertellen. Het boek, zo leeg aan spanning, is vol, zelfs overvol, aan verhalen.
Maakt dat veel goed? Nou… hier wreekt zich dat Marcel Rözer niet zo’n sterke stylist is, en dat zijn uitgever – Uitgeverij Brandt – kennelijk geen redacteur heeft weten vrij te maken om de tekst eens even grondig door te akkeren. Een boek zou je, vind ik, maar het is dan ook een beetje mijn vak, in wezen in deze staat niet willen uitgeven. Op werkelijk elke bladzijde wemelt het van de stylistische missers. Een voorbeeld? Ik sla een willekeurige bladzijde open (blz 182) en val in een conversatie in Rotterdam, bij het beeld van Zadkine, waar Johan op de vorige pagina zijn gesprekspartner ontmoet heeft; "een donkere man, Johan denkt dat hij Surinaams is" (hoezo denkt hij dat? Waarom lezen we dit zo? Is het zo of niet? Is het van belang? Het blijkt van niet).
De dialoog gaat dan:
"Ik ben Johan, ik werk als veerman in het oosten.’ ‘Waar in het oosten? Bij de Rijn?’ Johan knikt. ‘Ja, vlak bij Lobith. Eigenlijk heet het Tolkamer maar dat zal voor mensen wel lastiger zijn om te onthouden."
Je moet zo’n stukje tekst (ik althans) toch tien keer overlezen? Waarom vraagt die man niet naar dat ‘veerman’, maar naar 'waar in het oosten'? En waarom gokt een Surinamer in Rotterdam, de Maasstad, dan meteen goed, de Rijn? De IJssel, om maar eens wat te noemen, ligt dan toch veel meer voor de hand? En dan die uitleg over Lobith en Tolkamer. Ik zou zeggen, als het van belang is: laat die Johan refereren aan het ‘Bij Lobith komt de Rijn ons land binnen’ uit de boekjes, of aan ‘De waterstanden bij Lobith’. Want waarom zou Tolkamer moeilijker te onthouden zijn dan Lobith?...
Kijk: we begrijpen wel zo’n beetje wat er gezegd wordt en wat er zich verder allemaal afspeelt in dit boek, maar goed gelezen staat er gewoon heel vaak onzin, of op zijn minst allerlei verwonderlijks.
Niet overtuigd? Dan sla ik nog eens een willekeurige bladzijde op (p 94). Daar staan Johan en zijn vriend Arend te wachten langs het water omdat ze weten dat een derde man, Bruce, daar aan land zal worden gebracht. (De scene een paar bladzijdes hiervoor waarin Bruce van de Waalbrug springt is heerlijk bizar. Dat de man vijf meter lager op een voorbijvarend containerschip terecht komt en ‘dus’ niets heeft is dan weer bizar raar.) Mij gaat het nu om de zinnen:
"De mannen roken en staan te kleumen in de kou als een politieauto langzaam de kade oprijdt. (…) De zwaailichten van een ambulancen vegen even later langs de kademuur. De ziekenbroeders parkeren hun auto naast die van de politie. Het felle blauw van de lichten glijdt door het haventje. Even later verschijnt het schip om de hoek."
Dan denk ik: wèlke hoek? En vegen die lichten nu of glijden ze? En weet jij uit deze beschrijving hoe die kade in elkaar zit? De politie rijdt de kade op, maar kennelijk is er ook een kademuur, dus zou de politieauto eigenlijk meer een talud af moeten rijden naar beneden, naar de kade. Maar staan de auto’s dan wel hoog genoeg om hun licht door het haventje te laten schijnen? Het lijkt misschien futiel, maar dit soort passages, en het boek staat er vol mee, werkt vermoeiend. Daardoor krijgt je lezen wel het tempo van het lezen van een ‘grote roman’ maar dat is dus niet in overeenstemming met de inhoud.
Eindoordeel? Lastig. Er zit best veel in deze roman. Te veel, eigenlijk. Voor inwoners van Nijmegen en omstreken is het best amusant op lokaties te herkennen. En veel van de vertellingen zijn in de kern best aardig, soms diepzinnig, soms ook hilarisch. We hadden Rözer meer rust en een grotere greep toegewenst, die van een romancier, om van dit materiaal meer een eenheid te creëren. En we hadden hem ook een goede, strenge eindredacteur gegund om mee te sparren. En het vreemde is nu dat tussen de mensen die Rözer in zijn dankwoord noemt er een paar zitten die de capaciteit zouden moeten hebben om zo’n kritische, betrokken meelezer te zijn.
-
WatBoek: Het Blauwe Wonder
-
Waarn.v.t.
-
Wanneern.v.t.