Schorriemorrie: 'klassenfilm' Flodder (1986) als onderdeel van Dick Maas-retrospectief
Het is u welllicht niet ontgaan dat Eye Filmmuseum door financiële nood gedwongen de organisatie heeft moeten afslanken. Daartoe is er ook in de programmering gesneden. Toen ik in december naar ‘doppelgänger-night’ met als hoofdfilm Possession (Andrzej Zulawski, 1981) ging, werd het aangekondigd als de laatste in de reeks van Koolhoven & Simons, een maandelijks programma dat een ‘ode aan genrecinema’ wil zijn. Zou mooi zijn mocht er een doorstart komen, in welke vorm dan ook, want qua eigenzinnigheid kent deze al lang lopende reeks zijn gelijke niet, zeg ik als frequente bezoeker.
Toen de eerste verhalen over tekorten verschenen, verzuchtte Dick Maas met enige dramatische ironie: Komt er eindelijk een retrospectief van mijn werk, bestaat Eye dadelijk niet meer. Op 16 januari werd er echter wel degelijk een terugblik afgetrapt die tot 4 maart zal duren. Ik moest de opening missen om de doodeenvoudige reden dat zaal 1 al dagen eerder stijf was uitverkocht voor een vertoning van het 40 jaar oude Flodder (1986) in bijzijn van cast en crew. Zouden de ongeveer 300 aanwezigen worden opgeteld bij de al ruim 2.314.000 bezoekers die Flodder indertijd had getrokken? Met dat aantal staat de komedie van Maas op de zesde plek van de lijst van best bezochte Nederlandse films aller tijden.
Flodder is inmiddels erkend als een ‘klassieker’, omdat de film in 2007 werd opgenomen in de Canon van de Nederlandse Film, gekozen door een commissie die een uiterst strenge selectie maakte van in totaal slechts zestien titels uit een hele eeuw aan films. In het in 2024 verschenen boek Film en Filosofie stelt Jurriën Rood dat Flodder in de toekomst beschouwd zal worden als de ‘scherpste politieke film uit de Nederlandse jaren tachtig’ (pagina 128).
‘Blijf gewoon mezelf’
Dat lijkt een opmerkelijke bewering, te meer daar Maas zelf altijd schouderophalend reageerde op het belang van zijn komedie. Zijn film had geen boodschap; voor boodschappen moest je maar naar de Albert Heijn, zei hij. Maar de suggestie dat Flodder slechts een onbenullige klucht is, gaat voorbij aan de listige opzet van de film.
Omdat de familie Flodder zonder dat iemand het wist op een gifbelt heeft gewoond, vindt sociaal werker Sjakie van Kooten dat de gemeente het aan haar stand verplicht is deze welwillende mensen fatsoenlijk te huisvesten. In de chique buurt Zonnedael staat al lang een ruime woning leeg, en Sjakie vermoedt dat de Flodders zich te midden van keurige burgers vanzelf zullen aanpassen. Hij is ervan overtuigd dat zij dit buitenkansje met beide handen zullen aangrijpen en zich in een mum van tijd goede manieren eigen maken.
Flodder heeft een aantal klassieke scènes opgeleverd, zoals de chantage van de buurman via de Polaroid-foto waarop te zien is hoe hij dochter Kees betast. Voor een karakterschets van de familie zijn andere scènes echter meer exemplarisch. Als ze voor het eerst door de buurt rijden, zegt de oudste zoon Johnnie tot zijn blonde zus Kees (er is trouwens ook een broer die Kees heet!): ‘Je gedraagt je in die nieuwe wijk, hè. Geen rare dingen hoor.’ Kees: ‘Nee, hoor, ik blijf gewoon mezelf.’ Johnnie: ‘Dat is precies waarvoor ik bang ben.’ Het zal snel blijken dat de Flodders niet anders kunnen dan ‘zichzelf’ zijn, omdat ze volgens hun ‘instincten’ handelen.
‘Houd jij ook van Paganini?’
Als Sjakie op bezoek komt en aan Ma Flodder vraagt: ‘Hoe maakt u het?’, antwoordt ze: ‘Kwestie van gisten.’ Voor Sjakie is het een vraag uit beleefdheid, maar dat is te abstract voor Ma. Toen hij aanbelde, was ze bezig illegale alcohol te stoken, dus haar antwoord is strikt praktisch: alcohol maken is een kwestie van gisten. Of neem de scène waarin buurtmeisje Stéphanie die op weg is naar vioolles aan dochter Toet vraagt: ‘Houd jij ook van Paganini?’ [Niccolò Paganini was een Italiaanse violist en componist, 1782-1840]. Toet antwoordt: ‘Ik vind Chinees wel lekker.’ De Flodders krijgen een vraag op een terrein waarmee ze niet bekend zijn (omgangsvormen, klassieke muziek) en ze interpreteren dat steeds alsof het een vraag is over drank, voedsel (of seks).
Flodder wordt vooral herinnerd als portrettering van ‘ruw volk’. Het is een film over een onbehouwen gezin uit een laag sociaal milieu dat zich niets aantrekt van enig decorum. Dat vormt een basis voor humor, want zoals de Britse filosoof Simon Critchley stelt in zijn boek On Humour, we zijn geneigd te lachen om mensen die zich tot het niveau van dieren verlagen en de Flodders doen dat met volle overtuiging. Maar zo voegt Critchley eraan toe: nog lachwekkender dan mensen die hun dierlijke aard uitleven, zijn zij die zich opzichtig als ‘mensen’ gaan gedragen en zich te nadrukkelijk laten voorstaan op hun goed fatsoen.
Zolang de welgestelde burgers onder elkaar zijn, wisselen ze beleefdheden uit en heerst er (ogenschijnlijk) onderlinge harmonie. Maar zodra er ‘ruw volk’ in hun midden verschijnt, nemen ze een hooghartige houding aan. Zij distantiëren zich van de Flodders en pretenderen duidelijk boven hen te staan. Het gezin heeft verder lak aan die kloof; dat er op hen neergekeken wordt, boeit hen niet. Bovendien zijn ze vrij van enige rancune. Als Johnnie zich gaat verloven met Yolanda, veegt hij alle problemen van tafel ('zand erover') en nodigt vrolijk de hele buurt uit.
Buurman en buurvrouw Neuteboom
Dat de situatie in Flodder uit de klauwen loopt, is dan ook niet de schuld van de Flodders, maar ligt aan de ongemanierdheid waarop de buurt op hun komst reageert. Voor buurvrouw Neuteboom zijn de nieuwe bewoners van de villa naast haar, ‘schorriemorrie’. Zij heeft in de gaten hoe haar man zich aangetrokken voelt tot de levensstijl van de buren en vooral interesse heeft in dochter Kees. Zij bemerkt hoe hij moeite heeft zijn driften in te tomen en dat neemt zij de buren kwalijk.
Als tijdens het verlovingsfeest bij de Flodders thuis buurman Neuteboom een lijntje coke krijgt aangeboden, vraagt hij zich, als onervaren gebruiker, af of het spul een beetje snel werkt. Vervolgens gaat hij direct knock-out na een oplawaai van zijn vrouw die de compromitterende foto met dochter Kees onder ogen heeft gehad. De aanwezigheid van de Flodders sorteert als effect dat de o zo beschaafde buurvrouw zich als ‘ruw volk’ ontpopt. De kolonel zal de overtreffende trap van ruwheid blijken als die met een tank de villa aan gort schiet, omdat zijn vrouw naar Johnnie is overgelopen.
Flodder onthult daarmee dat de authentieke lomperik minder ‘erg’ is dan de propere burger die zich gekrenkt voelt. De Flodders negeren regels omdat ze er geen notie van hebben genomen, maar de welgestelde burgers overschrijden ze uit frustratie: de elitaire buurtbewoners voelen zich niet meer senang in de eigen bubbel, omdat zij niet weten hoe ze zich moeten verhouden tot nieuwe buren die zij onbeschaafd vinden. Van de weeromstuit worden ze zelf (nog) onbeschaafd(er).
Cartoonkat Sjakie
Uiteindelijk is echter het belangrijkste mikpunt van hilariteit de onfortuinlijke Sjakie. Hij wordt voortdurend afgestraft voor zijn verregaand naïeve gedachte dat de Flodders hun lompheid zullen afleggen in een nette omgeving. Aan het rapport waarin hij zijn vooruitgangsgeloof uiteenzet, haalt hij al direct zijn vinger open. Maar gedurende de film wordt hij vaker met fysiek ongemak geconfronteerd; hij krijgt een bloempot tegen zijn hoofd en zijn broek en schoenen vliegen een keer in brand. Na de aanslag door de kolonel is hij de enige die in het ziekenhuis belandt.
Sjakie is als de cartoonkat: ondanks al zijn butsen gaat hij onvermoeibaar door. Hij is met geen mogelijkheid van zijn goede bedoelingen af te brengen, en als de Flodders hem als ‘ouwe rukker’ betitelen, is dat een teken van hun genegenheid voor hem. Maar Sjakie is ook de belichaming van de te ver doorgeslagen tolerantie met onaangepaste lui en via hem wordt het idee bespot dat in het vrijzinnige Nederland iedereen gepamperd wordt.
Flodder is te zien als een politieke film omdat op een milde wijze de sociaaldemocratische traditie belachelijk wordt gemaakt om op te komen voor de zwakkeren in de samenleving. Maar Maas’ film is ook politiek, omdat die laat zien hoe een arrogante bovenlaag wordt ontmaskerd als onbeschaafd zodra die in contact komt met mensen buiten de eigen kring. In hun drang zich ten overstaan van de Flodders als fatsoenlijk te profileren, ontsporen ze en bezondigen ze zich aan agressie.
Sociale klasse
Hoe meer de hypocrisie van de rijken aan het licht komt, hoe meer we sympathie voor de Flodders krijgen. Onze lach om de Flodders is relatief welwillend: zij zijn ‘gewoon zichzelf’ gebleven en leven zonder compromissen te sluiten. Onze lach om de buren is venijniger, want door de aanwezigheid van de lagere klasse wordt hun valse schijn blootgelegd.
Socioloog Giselinde Kuipers heeft eens gesteld dat Nederland zichzelf graag als een klasseloze maatschappij afficheert, totaal anders dan bijvoorbeeld in Engeland het geval is. Verwijzingen naar klasse zijn in onze samenleving lichtelijk taboe, aldus Kuipers. Als er in Nederland films gemaakt worden over klassenproblematiek, dan gebeurt dat via matig bezochte arthouse. De kloof tussen rijk versus arm wordt dan te rechtstreeks uitgespeeld. Door die kloof in de vorm van een komedie te gieten, wordt een buffer ingebouwd. Vanwege de ‘platte’ humor wordt de indruk gewekt dat de film nergens over gaat, geen ‘boodschap’ heeft. Dat is de slimme truc van Flodder: het maakt een succesnummer van wat in wezen een taboeonderwerp is.
Mede door het grandioze succes van New Kids Turbo (Steffen Haars en Flip van der Kuil, 2010, ruim 1 miljoen bezoekers) zijn de jongeren uit het Brabantse Maaskantje uit die film te zien als de navolgers van de Flodders. Maar de toon van de New Kids, die God noch gebod kennen, is veel harder en brutaler. Zij worden dan ook niet bijgestaan door een Sjakie, maar treffen enkel starre gemeenteambtenaren waardoor ze niet eens genoeg geld hebben voor hun goedkope Schultenbrau-bier. Sjakie mag een held op sokken zijn, maar de New Kids-films maken duidelijk hoe cruciaal de aanwezigheid is van een toeschietelijke schlemiel die, al is het tegen de klippen op, blijft geloven in kansen voor de 'kansarmen'.