Nederlandse cinema, deel 2: Niet alleen Pitt maar ook Dourif
Toen vier filmconsulenten na de vooraf bepaalde termijn van vijf jaar afscheid namen, publiceerde hun werkgever het Filmfonds een interview met drie van hen. Commentaar van filmmaker Martin Koolhoven op X bij dit interview: ‘Tjonge jonge’. Dat is voor meerderlei uitleg vatbaar, maar ik vermoed dat er scepsis in doorklinkt. Laat ik, als iemand die net wat verder van de filmpraktijk afstaat maar wel ‘wandelgangengesprekken’ voert met makers, proberen om enkele passages uit het interview te duiden volgens het uitgangspunt in de film They Live (1988) van John Carpenter.
In They Live vindt John Nada een zonnebril en als hij die opzet, ziet hij wat posters en advertentieslogans werkelijk betekenen. Elke slogan is in Carpenters film een valselijk opgepoetste weergave van de feitelijke strekking: ‘Consumeer’ of ‘gehoorzaam’. Tot zijn verbazing wordt dankzij die bril iedere tekst gedecodeerd en ziet hij bovendien wie er burgers zijn en wie aliens. Laat ik zijn zonnebril lenen voor een duiding van het interview.
Een van de afzwaaiende consulenten zegt: ‘Wij zijn destijds met z’n vieren begonnen (…). Het voelde vanaf het begin al aan als: wij willen iets gaan veranderen. Ons allereerste doel was om de kwaliteit van de Nederlandse film echt naar een hoger plan te trekken.’
Is de kwaliteit van de Nederlandse cinema echt significant toegenomen? Het rapport van bureau Olsberg SPI uit 2023 stelde nu net dat de kwaliteit achterbleef bij die van andere landen, en als we de criteria van dat bureau als maatstaf hanteren, zijn er geen signalen dat er verbetering is opgetreden – geen films in hoofdcompetities van grote festivals, enkel in zijprogramma’s (o.m. Melk en Alpha. in Venetië, Rietland in Cannes). En soms is er dan een gunstige uitschieter, zoals de Oscarwinst van Victoria Warmerdam met korte film I’m Not a Robot een meevaller was, geen uitkomst van structureel beleid.
Maatschappelijk doel
Uit het interview: ‘Binnen de industrie is een veel breder besef gekomen van wat film eigenlijk voor maatschappelijk doel heeft.’ (…) Men is ‘de afgelopen vijf jaar dieper gaan reflecteren over films maken, over de rol die je hebt als maker, over authenticiteit, diversiteit en inclusie.’
Zeggen dat film een maatschappelijk doel heeft, is één, maar wat is dat doel dan precies? Wat is de rol van de maker? Wat wordt hier bedoeld met authenticiteit? Wat betekent ‘reflecteren op films maken’? Deze teksten van de consulenten blinken uit in een vaagheid die verbazing wekt omdat ze vijf jaar lang op een belangrijke stoel hebben gezeten.
Vlak hierna wordt in het interview gesproken over een ‘verdiepingsslag’, maar volgens mij bedoelen ze dat er ‘verbreding’ heeft plaatsgevonden. De participatie van makers met verschillende achtergronden is toegenomen; het percentage van vrouwen, van niet-witte personen, van lhbtiq+’ers is gestegen in de Nederlandse cinema.
Als nu wordt gesteld dat 2025 een beduidend beter jaar is voor de Nederlandse film dan voorgaande jaren (niet alleen door mij, ook door Bor Beekman in de Volkskrant), dan heeft dat betrekking op de meest prestigieuze categorie, die van het Gouden Kalf voor de ‘beste film’. Alle vijf de genomineerde titels in deze paradepaardjescompetitie werden evenwel gemaakt door witte mannen. In een minder goed bezet jaar had waarschijnlijk Mr. K van Tallulah Schwab erbij gezeten, maar op de selectie in deze NFF-editie viel verder weinig af te dingen.
Tombola
Maar als 2025 een beduidend beter jaar is dan de twee vorige edities, is dat dan de verdienste van het filmklimaat, waarvan het Filmfonds een belangrijk uithangbord is, of van de gedrevenheid van de makers? Je kunt het Filmfonds in ieder geval nageven dat ze de projecten van Peter Hoogendoorn, Jan-Willem van Ewijk, Sven Bresser, Morgan Knibbe en Mike van Diem financieel ondersteund hebben. Maar het blijft een tombola, want ik hoor soms over voorstellen waarbij ik me afvraag op welke gronden die kunnen zijn afgewezen. Het blijft te zeer nattevingerwerk waarom de een aan de goede kant van de streep valt, en de ander niet.
Voor de volledigheid, die verbreding zie je dan wel weer terug bij allerlei categorieën die minder toonaangevend en blikvangend zijn: bij de nominaties voor beste documentaire, beste dramaserie, beste korte film. Ook het onafhankelijke programmaonderdeel Forum van de Regisseurs dat zich richt op baanbrekende, maar ook wat kwetsbare films, had oog voor diversiteit.
Zo was Hemelsleutel geselecteerd van Digna Sinke, die, zo hoorde ik opperen, zich onderhand heeft ontwikkeld tot de Nederlandse Agnès Varda. Jeugddocumentaire The Invisible Ones van Martijn Blekendaal is geïnspireerd door onder andere de Spaanse filmpionier Segundo de Chomón en door The Purple Rose of Cairo (Woody Allen, 1985) en heeft aan het eind de geinige en grensverleggende gimmick om letterlijk uit het kader te breken. De Afrofuturistische film Forget All You Know (About Aliens) van Mirella Muroni stond niet alleen op de radar bij Forum maar haalde ook de top 3 selectie van de Kring van Nederlandse Filmjournalisten. De documentaire Zie je, van Kiki Ho zou bovendien de KNF-award winnen.
Medium film
Als de consulenten claimen dat tijdens hun aanstelling meer diverse makers een kans hebben gekregen, neem ik dat voetstoots aan. Maar wat me stoort aan het interview – en misschien sluit dat aan bij Koolhovens ‘tjonge, jonge’ – ik lees niets waaruit ik enige filmische geestdrift kan opmaken uit het interview, of dramaturgische kennis, om maar een belangrijke dwarsstraat te noemen. Misschien schuilt het probleem wel in dat ‘reflecteren op films maken’, dat de consulenten noemen. Is dat geen symptomatisch holle frase?
Is het niet zo dat veel aanvragers films willen maken – niet omdat ze van films houden, zoals een cinefiel betaamt, maar omdat het hip en chic klinkt om een film te maken. Dan krijg je ‘passievolle’ makers die begaan zijn met hun onderwerp en film gebruiken als middel om hun ervaring tot expressie te laten komen. En dat leidt vooral tot ‘behapbare’ cinema, omdat het publiek die (heftige) ervaring wel moet kunnen plaatsen, alhoewel nu net het eerder genoemde Forget All You Know (About Aliens) moeilijk te verhapstukken was. Met zijn hoekige combinatie van vlakke coming-of-age taferelen en experimentele scènes was de film mij te diffuus en vroeg ik me af of die wel weerklank zou vinden bij zwarte tieners. Maar als er echt een kwaliteitsinjectie moet geschieden – het Olsberg-rapport indachtig – dan moet die passie betrokken worden op het medium film en/of op de filmtaal. Het klinkt wat muggenzifterig om ‘reflecteren op films maken’ te veranderen in ‘reflecteren op de filmtaal’, maar het behelst wel degelijk een andere insteek.
Ik zou zeggen: maak het tot een sleutelonderdeel bij die pitchpanels om de aanvragers ook te vragen welke visie op het medium film ten grondslag ligt aan hun project. Hoe heeft de filmische interesse van de aanvrager zich gevormd? Om even Alpha. te noemen: voor Van Ewijk waren Ida (Pawel Pawlikowski, 2013), Michelangelo Antonioni en Ruben Östlund referentiepunten. Sven Bressers Rietland heeft op zijn beurt verwantschap met het werk van Bruno Dumont.
Alain Corneau en Patrick Dewaere
Als ik wat sceptischer was over Voor de meisjes van Van Diem dan veel recensenten die de film met lof overladen, dan was het omdat de film minder cinefiel van aard is dan zijn maker, die bijvoorbeeld ook verzot is op dwarse Franse films uit de jaren zeventig van Alain Corneau, zoals La menace (1977) en Série noire (1978, met Patrick Dewaere).
Conform Van Diems theorie van de kijker als ramptoerist worden wij tot buitenstaanders. Al het ongemak tussen de personages onderling blijft binnen het filmkader en slaat nauwelijks over op de kijker. Ik volg hun sores zonder er echt deelgenoot van te worden en om die reden mist Voor de meisjes een spannend ‘filmhaakje’. Het is ambachtelijk zeer goed uitgevoerde cinema, dat is cast en crew wel toevertrouwd, maar wel net te veel in de veiligheidsmodus. Overigens hoop ik van harte dat Voor de meisjes, opgezweept door de gunstige recensies, veel publiek trekt, en niet te veel last heeft van de toeloop naar One Battle After Another van Paul T. Anderson. In ieder geval zullen misbaksels als Eddington van Ari Aster en Alpha van Julia Ducournau, en de iets minder mislukte horrorfilm Together van Michael Shanks, geen enkele concurrentie vormen.
Volgens mij heeft het Nederlandse filmklimaat nood aan een stevige scheut cinefilie als injectie voor een extra dot durf en ambitie. Niet enkel bij de makers, maar voor een ware ‘verdiepingsslag’ is het wezenlijk dat er voldoende filmbloed door de aderen van pitchpanels en consulenten stroomt. Voor de goede orde, die filmsmaak hoeft niet ‘verheven’ te zijn: die kan evengoed Joseph H. Lewis, Jack Arnold, Lucio Fulci, Ida Lupino of John Carpenter omvatten, mits die voorliefde maar met een zekere passie wordt uitdragen.
Het meest gunstige signaal dat ik in het interview lees, is dat Gerwin Tamsma, een zeer geliefde oud-programmeur van het IFFR, als consulent is geworven. Dat is iemand die ongetwijfeld aan de basisvoorwaarde van een cinefiel voldoet, zoals Jürgen Heinsman die ooit op ludieke, maar niettemin treffende wijze formuleerde. Heinsman runde de voormalige dvd-zaak All About Movies in de Stikke Hezelstraat in Nijmegen, en stelde: ‘Een cinefiel is iemand die bij de naam Brad niet meteen denkt aan Brad Pitt maar aan Brad Dourif’.