Films die zich anders voordoen dan ze zijn: After the Hunt, A House of Dynamite, The Mastermind
Op het eerste oog lijkt After the Hunt van de Italiaanse filmmaker Luca Guadagnino een film die reageert op #MeToo-debatten. Terwijl allerlei eerdere films, zoals The Assistant (Kitty Green, 2019) en She Said (Maria Schrader, 2022), als daadwerkelijk ‘woke’ kunnen worden gezien, omdat ze onomwonden partij kiezen voor vrouwelijke slachtoffers, wekt After the Hunt de indruk dat die ‘woke’ had willen zijn, maar in feite misbruikt Guadagnino's film #MeToo als afleidingsmanoeuvre voor een geheel ander mikpunt van spot.
Alma Imhoff is een filosofiedocent aan de gerenommeerde Yale-universiteit. Zij maakt grote kans op een vaste aanstelling maar moet concurreren met haar goede vriend Hank Gibson. Na een feestje bij Alma thuis gaat Hank mee naar de woning van Maggie Price, die een proefschrift schrijft over ‘deugdenethiek’. De zwarte Maggie, van rijke komaf, is een protegé van Alma, maar Alma’s echtgenoot schampert dat zijn vrouw haar alleen maar zo briljant vindt, omdat de promovenda haar begeleidster overduidelijk adoreert.
Alma wordt geconfronteerd met een ‘hij zei’ versus ‘zij zei’-situatie. Maggie vertelt aan Alma dat zij seksueel is misbruikt toen Hank bij haar op bezoek was. Volgens Hank is dit gerucht Maggies revanche op het feit dat hij haar van plagiaat beschuldigde: zij had allerlei passages uit Giorgio Agambens Homo Sacer overgeschreven (als je dan wil plagiëren, kies dan vooral een minder bekende studie, maar dat terzijde). Hij noemt zichzelf een slachtoffer van de ‘tegenwoordige tendens in de academische wereld’ om witte hetero cis-mannen met argusogen te bekijken. Door zijn identiteit meent hij een makkelijk doelwit voor de ‘woke’-gemeenschap te zijn.
Test voor Alma
After the Hunt is opgezet als een test voor Alma, want zij wordt aan een dilemma onderworpen. Steunt zij als vrouw en als mentor haar promovenda of spreekt zij zich uit voor haar goede vriend en collega Hank, die vlak na de bewuste nacht ontslagen wordt? (Huh, wil de film suggereren dat universiteiten al zo in de ban zijn van ‘woke’ dat een zorgvuldig onderzoek niet nodig is?). Zowel Maggie als Hank zijn ontstemd dat Alma niet duidelijker hun kant kiest.
Omdat After the Hunt Alma – en daarmee ook de kijker – met een onmogelijk te beoordelen keus opzadelt, biedt het geen inzicht in #MeToo-kwesties. Dat is des te spijtiger als je het afzet tegen een voorganger als Tár (Todd Field, 2022). Hierin speelde Cate Blanchett een beroemde dirigente; zij is uiterst streng voor iedereen die ze onder haar hoede heeft. Als er een uit zijn verband gerukt filmpje viraal gaat, komt ze in het oog van een mediastorm terecht die haar loopbaan zal fnuiken. Als kijker houd je voldoende zicht op haar neergang en kun je proberen af te wegen wat haar eigen aandeel in haar terugval is en wat te wijten is aan een hypocriet klimaat rondom haar heen.
Niettemin presenteert Guadagnino’s film zich als een urgente film over #MeToo, onder meer door zijn verwijzingen naar in opspraak geraakte figuren. De credits worden aangekondigd in Windsor Light Condensed, een font dat we kennen van Woody Allen-films, en daarna lezen we de namen van acteurs ‘in alphabetical order’ – ook een gewoonte bij Allen. Als een nummer van The Smiths in een café hoorbaar is, wordt zanger Morrissey expliciet genoemd in het gesprek. Maar zonder enige handvaten voor de kijker wordt niet duidelijk welke visie After the Hunt over #MeToo wil uitdragen en verschrompelen de hints tot dwaalsporen.
Heimelijke obsessie
Is #MeToo niet slechts een pseudo-thema en biedt After the Hunt vooral een verkapte kritiek op het academische klimaat waarbij het gerenommeerde Yale als een werkelijk bestaand bastion tot kop van Jut wordt gemaakt? De hoofdpersonages zijn filosofen, maar in Guadagnino’s film wordt nooit ook maar één zinvolle observatie gemaakt. Dat we slechts één korte snipper van Alma’s college over Foucaults Panopticon meekrijgen, valt te billijken, want dat is gebruikelijk bij dergelijke films. Maar als Alma’s echtgenoot aan Maggie vragen stelt over haar proefschrift, zegt ze dat het niet bijster interessant is en verontschuldigt ze zich voor haar warrige uitleg. Hij is hogelijk verbaasd, want ze slijt per slot van rekening vier of vijf jaar van haar leven aan de dissertatie.
Als bij het feestje aan het begin diverse namen door de kamer schallen – Hegel, Heidegger, Aristoteles, Freud – worden die denkers badinerend afgedaan als xenofoben of vrouwenhaters. Oftewel, zo wordt hier geïmpliceerd, hun dagelijkse praktijk correspondeert geenszins met hun in morele rechtschapenheid gedrenkte theorieën. Maar schuilt hierin niet de heimelijke, thematische obsessie van After the Hunt?
De film zit vol met name-dropping – van Kierkegaard tot Thomas Manns The Buddenbrooks – maar behoudens het Panopticon-fragmentje wordt zelden de inhoud aangesneden. We worden geconfronteerd met personages die nooit iets steekhoudends zeggen, maar hun voortdurende referenties geven hen wel een intellectueel aura. Ondertussen stapelen de voorbeelden van hun ondeugdelijkheden zich op – ook Alma maakt zich schuldig aan ongepast gedrag. Ze bruuskeert op buitenproportionele wijze een studente die terechte vragen opwerpt tijdens een werkgroep. Of wat te denken van de aan Yale verbonden therapeute van Maggie die doodleuk haar beroepsgeheim schendt om Alma te waarschuwen?
Alle academici komen stuk voor stuk over als poseurs, die geen van allen zuiver op de graat zijn. Ze beroepen zich op verheven theorieën, maar dat is enkel om hun onethisch handelen af te dekken. Door #MeToo als onderwerp te nemen, doet After the Hunt alsof het een actuele film is, maar in wezen reproduceert het luie vooroordelen over academici: ze praten wollig, maar laat je door hen niet in de luren leggen, want hun moreel kompas is geenszins scherp afgesteld.
A House of Dynamite
Als After the Hunt uiterst schimmig is over wat hij wil adresseren, dan is de inzet van Kathryn Bigelows nieuwe film A House of Dynamite kraakhelder: hoe reageren wij in het (mogelijke) aanschijn van de dood. Er wordt melding gemaakt van een nucleaire aanval die naar het zich laat aanzien Chicago gaat treffen over achttien minuten. Doordat momenten zich herhalen omdat we scènes via verschillende personages volgen, worden die achttien minuten stevig opgerekt. De meeste personages hebben geen achtergrond, en zijn vooral een toonbeeld van paniek. En al die nervositeit wordt vastgelegd in een, voorspelbaar, jachtige stijl met een heen en weer zwiepende camera. Die zenuwachtigheid moest leiden tot een nagelbijtende thriller, maar mij ging de film al behoorlijk snel op de zenuwen werken.
Misschien had mijn ongedurigheid te maken met het feit dat A House of Dynamite zo ‘universeel’ mogelijk wilde overkomen. Kijk, dit zijn emoties van mensen die weten dat een grote ramp aanstaande is, dan reageren we min of meer allemaal hetzelfde, ongeacht onze gender of onze afkomst. A House of Dynamite voelde tegelijk zo ontzettend Amerikaans aan, alsof die wilde uitstralen: in de grond zijn wij allemaal (als deze) Amerikanen. En met die chaotische malloot in het Witte Huis wil ik me zo min mogelijk Amerikaan voelen.
Maar dan volgt een bescheiden verrassing op driekwart van de film. Tot dan toe hadden we weliswaar af en toe de stem van de Amerikaanse president gehoord, maar nu doet hij zijn intrede als personage. Hij wordt vertolkt door Idris Elba, een zwarte acteur die qua vertrouwenwekkende uitstraling een soort Obama-lookalike is. Ah, het drama speelt zich dus in een post-Donald tijdperk af. Een begeleider van de Amerikaanse president zegt: dit is al de derde die ik meemaak; het zijn allemaal narcisten, maar deze leest tenminste nog de krant. Julius Koetsier stelde op FilmTotaal dat A House of Dynamite ‘nostalgisch escapisme’ biedt: met een president à la Obama groeit de film uit tot een geruststellende fantasie – wij hoeven ons geen zorgen te maken. O gelukkig, en kan die director-of-photography dan nu eindelijk zijn camera weer een beetje stabiel houden?
The Mastermind
Bij het Leiden International Film Festival eindigde The Mastermind van Kelly Reichardt in de onderste regionen bij de publieksprijs (‘saai’, hoorde ik rondom me), maar het was mijn favoriet van alle films die ik zag en inmiddels te zien in LUX. Reichardt maakte eerder geweldige films zoals Meek's Cutoff (2010), Certain Women (2016), First Cow (2019) en Showing Up (2022). The Mastermind heeft echter de meeste verwantschap met Reichardts Night Moves (2013), over drie klimaatactivisten die een dam opblazen, maar daarna valt hun samenwerking door een gebrek aan professionaliteit uiteen, met fatale consequenties. In The Mastermind bezoekt James (‘JB’) Mooney veelvuldig het (fictieve) Framingham Museum en steelt af en toe een klein object. Hij heeft echter zijn zinnen gezet op vier schilderijen van Arthur Dove, en huurt twee handlangers in voor de kunstroof. De diefstal lukt ternauwernood, maar vanaf daar gaat van alles mis, vooral omdat JB allerminst een meesterbrein is.
De beste heist-films zijn die waarbij (de nasleep van) de roof niet volgens plan verloopt: The Asphalt Jungle (John Huston, 1950), Rififi (Jules Dassin, 1955), The Killing (Stanley Kubrick, 1956), Charley Varrick (Don Siegel, 1973). Terwijl we dicht op de actie zitten, neemt het vooraf uitgedokterde idee een andere afslag, soms op uiterst komische wijze, zoals in Plan C (Max Porcelijn, 2012). The Mastermind is echter een heistfilm waarbij zo ongeveer alle genreconventies zijn uitgefilterd. We houden een kaal geraamte over, waardoor de film die momenten belicht die in een reguliere heistfilm worden overgeslagen.
We zien slechts flarden van de roof zelf, omdat we vooral met chauffeur JB buiten wachten. Er wordt heel veel tijd uitgetrokken om te tonen hoe JB de schilderijen gaat verstoppen. Voor wie genrefilms kent, lijkt The Mastermind de nadruk steeds ‘verkeerd’ te leggen. Het toont niet de vlucht, maar bezoekjes aan een vriend of aan een hotel, waardoor Reichardts film een bij uitstek anti-spectaculaire heist movie is geworden. De hectiek van de overvalfilm neemt hier de vorm aan van slow cinema. Bovendien past het navrante einde tijdens een protestdemonstratie in Cincinnati niet bij de heistfilm, maar wel bij de jaren zeventig tijdgeest van Reichardts film.
Hedendaagse films over de jaren zeventig hebben de neiging om ons huidige beeld van dat decennium te recreëren: met die kleren en die kapsels roept het de seventies in herinnering. Aan The Mastermind, daarentegen, wil je je als kijker in vertrouwen overgeven omdat die, ondersteund door een lome jazzy soundtrack, oogt alsof hij ook echt een zacht deinende jaren zeventig film ís, zo een waar onder andere Robert Altman patent op had. Alsof The Mastermind tegelijk gedraaid is met Night Moves – niet Reichardts eigen film, maar die van Arthur Penn uit 1975.