Eigenzinnigheid in zijn ‘puurste vorm’: Tryp-Tych versus Bonkers! op LIFF
De melige eigenzinnigheid van Trip-Tych van Kevin Boitelle draait slechts in zeven zalen, maar deze zonder subsidies gemaakte film is te zien in LUX. Een filmregisseur verklaart dat hij een broertje dood heeft aan een traditionele drieakte-structuur, waarna de film onbekommerd blijkt opgedeeld in drie delen die begin, midden en einde heten. Het is een bij vlagen inventieve mediasatire, met het ‘einde’ als sterkste deel, mede dankzij de innemende Roos Dickmann.
In dat derde deel probeert het personage Hannah Hoekstra een script gefinancierd te krijgen dat geïnspireerd is op ervaringen in het tweede deel. Bij Netflix treft ze een ADHD’er die helemaal waus wordt van Hannahs wapperende handen, en dan vraagt of het scenario ‘Tiktok-ready’ is. De VPRO kan geen geld toezeggen omdat het budget is opgegaan aan een strijd tegen de agressieve omroep Ongehoord Nederland. En bij het Filmfonds willen ze graag dat Hannah het waarheidsgetrouwe scenario naar de strijd met nazi-Duitsland vertaalt, want men wil bouwen aan een ‘Tweede Wereldoorlog Cinematic Universe’. Ergens wordt de titel Verliefd op Terschelling 40-45 geopperd. Uiteindelijk maakt Hannah iets dat zo low-budget is dat ze alle rollen zelf heeft moeten spelen, maar zo heeft ze wel haar zes ikken goed leren kennen.
Hoe logisch het ook lijkt dat een hilarisch commentaar op het creatieve proces van filmmaken op het witte doek te zien is, de toon van Boitelles film doet vooral denken aan komische sketchjes uit televisieprogramma’s als Toren C en Sluipschutters. Ook al heb ik me goed vermaakt met Trip-Tych – onder meer met de maandagochtendsirene die het gesprek bij het Filmfonds verstoort – misschien gedijt dergelijke satire vooral goed op een klein(er) scherm.
Ierse hiphop: Kneecap
Trip-Tych had uitstekend gepast in het Bonkers!-programma van het oergezellige Leids International Film Festival (LIFF), dat van 10 tot en met 20 oktober plaatsvond. Dat was ook het geval geweest, ware het niet dat Trip-Tych al op het Nederlands Film Festival was vertoond. Bonkers! betreft de selectie van bizarre en vreemde films waarbij het festival zich, naar eigen zeggen, in zijn ‘puurste vorm’ etaleert. Van de twaalf festivalfilms die ik tussen allerhande werkzaamheden door kon zien, waren er vijf uit de Bonkers! selectie.
Het publiek koos zonder meer voor Kneecap van Rich Peppiatt, dat als slogan hanteerde: Elk in West Belfast uitgesproken Iers woord is ‘like a bullet fired for Irish freedom.’ Een leraar van middelbare leeftijd zet twee jongeren ertoe aan om de hiphop band Kneecap te vormen, die consequent in de Ierse taal rapt. Overigens, speelt het drietal zichzelf in deze fictiefilm. Deels geschoten in de stijl van videoclips is Kneecap een wannabe Trainspotting-film over antisociale rappers die trots zijn op hun status als ‘lowlife scumbags’.
Door hun rebelse inslag hebben ze bonje met zowel de politie als met een anti-drugsbrigade. De leraar tooit zich met een bivakmuts in Ierse kleuren om incognito te blijven, maar zijn vrouw herkent hem als hij zijn billen ontbloot met de tekst ‘Brits Out’. Dat soort onderbroekengein – of dus eigenlijk, gein zonder onderbroek – maakte Kneecap tot een van de publieksfavorieten; voor mij was de film met zijn soms wat cartooneske geweld iets te gewild lollig.
The Balconettes en Sew Torn
Maar beter geforceerd lollig dan misplaatst grappig. The Balconettes van Noémie Merlant werd aangeprezen als een ‘gouden mengelmoes’ van fantasy, horror en comedy. De film wil ook wat zeggen over seksuele opdringerigheid in het MeToo-tijdperk. Maar de urgentie gaat verloren in te veel geschmier, het gesleep met een lijk en andere zotte scènes. Om mij heen hoorde ik gelach om het vele bloed, een seksspeeltje en een scheet, maar voor mij was dit de miskleun van het festival – maar elk festival heeft een paar miskleunen nodig, en zeker een Bonkers!-keuzemenu.
In Sew Torn van Freddy Macdonald rijgen de spitsvondige invallen zich aaneen. Barbara blijft de stem van haar overleden moeder horen die haar inprent om de wegkwijnende naaiwinkel overeind te houden. Als ze bij een bazige klant een knoop aan een bruidsjurk moet zetten, laat ze die knoop uit boosheid door een rooster vallen. Daarna moet ze terug voor een nieuwe knoop, maar op een verlaten weg in de Zwitserse Alpen ziet ze twee gewonde mannen en een geldkoffer. Er spoken drie scenario’s door haar hoofd: koffer meenemen, politie bellen of doorrijden.
In het begin hebben we drie flarden gezien als uitkomsten van de drie verschillende scenario’s. Het lijkt erop dat elke keuze in een drama eindigt, zelfs voor iemand die zo creatief met naald en draad is als Barbara. Door de film heen klinkt steeds dat er ‘keuzes, keuzes, keuzes’ zijn en we gaan alle opties af op zoek naar een uitweg.
Idiote charme: Sasquatch Sunset
Best inventief, dat Sew Torn, en met zichtbaar plezier gemaakt, maar Macdonalds film zal uiteindelijk minder beklijven dan Sasquatch Sunset van David en Nathan Zellner. De film die voortborduurt op de folklore van de veronderstelde primaatsoort Sasquatch (ook bekend als Bigfoot), is volstrekt krankjorum. Als in een heuse natuurdocumentaire volgen we vier seizoenen lang vier volwassen aapachtigen, van wie twee vertolkt worden door Jesse Eisenberg en Riley Keough.
Het draagt bij aan de idiote charme dat gerenommeerde acteurs onherkenbaar zijn in harige kostuums, en alleen maar grommen, op bomen slaan, gezamenlijk op een zandweg gaan kakken en kampeerspullen vernielen nadat ze per ongeluk een cassette beluisteren met muziek van Erasure. Aan het eind staren de overgebleven Sasquatch verwonderd naar een Bigfoot museum. Is het een film die ons iets wil zeggen over de scheidslijn tussen dier en mens? Misschien, maar doet het ertoe? Het project is gekkigheid, maar gelukkig wel consequent volgehouden gekkigheid.
Festivalhoogtepunt: The Wailing
Naar wat ik om mij heen opving, waren veel kijkers verward door The Wailing (El llanto) van de Spaanse Pedro Martín Calero, maar het werd mijn festivalhoogtepunt, op de voet gevolgd door de Amerikaanse indie-film The Last Stop in Yuma County van Francis Galluppi. (Overigens, tel ik dan het live pianoconcert tijdens Der Letzte Mann uit 1924 van F.W. Murnau niet mee, want dat was bij voorbaat buitencategorie). Ik was gaandeweg steeds meer geïntrigeerd geraakt, omdat The Wailing vol wisselingen zit die de kijker op scherp zetten. In het begin is een scène waarbij een vrouw haar eigen hoofd op de bar beukt. Huh wat? We schakelen gelijk door naar Andrea in 2022. Zij heeft vooral suf app-verkeer met haar vriend. Als zij een filmpje opstuurt naar hem, ziet hij een vreemde man op de achtergrond. Het zal blijken dat die niet met het blote oog is waar te nemen, enkel als die gefilmd is.
Op een dramatisch moment is er een plotse overgang naar Marie in 1998. Zij blijkt de vrouw in de openingsscène. Zij wordt stiekem gevolgd door de filmstudente Camila voor een studieopdracht. Camila’s docent vindt het eindresultaat echter een oppervlakkig wanproduct, onder meer vanwege zijn vele out-of-focus shots. Die kritiek fungeert als een ironisch metacommentaar, want wij hebben uitvoerig zitten kijken naar de ‘making of’ van deze ‘stalker-documentaire’, ook al liegt Camila dat de gevolgde vrouw toestemming had gegeven.
Het vormt de opmaat tot occulte taferelen, tot een vermeende moord door Marie, tot haar onfortuinlijke vermogen om gehuil uit een appartementencomplex in La Plata op te pikken, een tragisch talent waarover Andrea ook beschikt. Omdat The Wailing af en toe als kabbelende én rommelige arthouse oogt, desoriënteren de bruuske overgangen des te meer. Het open einde ademt saamhorigheid, maar heeft ook een onheilspellende ondertoon: kan dit nog goed aflopen? Voor sommigen was The Wailing misschien, om de filmdocent in de film te citeren, inderdaad een onscherp wanproduct, voor mij, daarentegen, een aangenaam broeierig onvoorspelbare kruising tussen arthouse en horroringrediënten. Het behoort tot het type films waar je niet zo maar vat op kunt krijgen – The Wailing is niet rond, maar aangenaam hoekig, en daarmee typisch LIFF.